donderdag 12 augustus 2010
thuis
Terug thuis, het doet wat vreemd, de tijd doet rare dingen, mijn maag heeft op de meest absurde momenten honger en alles gaat hier zo snel. We zullen allemaal nog wel een paar dagen moeten bekomen, maar het staat als een paal boven water dat we deze ervaring nooit zullen vergeten.
zaterdag 7 augustus 2010
De baby zonder naam
Woensdag: markt in Opèch, een dorp niet zo ver van Akil. Ook die belevenis willen we niet missen. Het is een bont gekrakeel van “kraampjes”: koopwaar allerhande uitgestald op de aangestampte aarde, daartussen slapende of kakelende kramers. Onder het bordje “quincaillerie” (ijzerwaren) staan felgekleurde plastic stulpen in de aanbieding die de vliegen van het eten moeten weghouden; in de “boucherie” (beenhouwerij) koop je knalgele T-shirts met in rode letters “I love shoes, boys and chocolate”. Voor elk wat wils dus… Amper prijzen, over alles moet gepraat worden of liever geroepen en geschreeuwd en dit in niet al te beschaafde krachttermen. Die klinken in het Creools even overtuigend als in het Nederlands! Zo’n markt is ook, en misschien zelfs vooral, een sociaal gebeuren, een wekelijkse ontmoetingsplaats waar de laatste nieuwtjes en roddels gretig worden doorverteld en beluisterd. Je maakt een marktkramer dus niet blij door vroegtijdig zijn handeltje leeg te kopen.
Op de terugweg even “aankloppen” bij de familie Florville: papa, vrij apatisch slachtoffer van een te dominante moeder, mama, waanzinnig diep weggezakt in een postnatale depressie (de buren zien hierin het resultaat van één of andere voodoobezwering van schoonmama), drie kindjes waarvan de graad van ondervoeding stijgt naarmate hun leeftijd daalt. Het jongste, een baby van een drietal maanden, is er het ergst aan toe. De papa –hij kent niet eens de naam van zijn eigen kind, maar wat maakt het uit- vroeg Jeannine al tot driemaal toe om raad, maar concreet is er na meer dan één week tijd niets veranderd. Jeannine aarzelt geen moment en in TSL krijgt de baby de eerste elementaire zorgen: een pamper –een buurvrouw vertelt terloops dat het kindje al een drietal weken onophoudelijk aan buikloop lijdt-, wat melk met een flinke portie antibiotica. Niets lijkt de baby nog te beroeren, elke vorm van aangeboren zuig- en slikreflex is verdwenen, de oogjes staren dof in een hopeloze verte. Het kleine meisje kreunt en kermt de ganse nacht door. Om te schreien heeft het niet meer voldoende kracht. Een stervend kind is een moeilijk te aanvaarden realiteit; een kind zien lijden maakt opstandig en bitter. Onder de morgen verzwakt het zienderogen. Deshydratatie? Longontsteking? Wie zal het zeggen. Wanhopig sprakeloos brengen we het naar huis. De diagnose is wreedaardig bondig: totale uitputting. De vooruitzichten al even uitzichtloos: “se Bondye ki konnen”. Alleen God weet… raad. De papa beaamt telkens met een absurd geladen “wi”. En we zien hem denken: binnen een tiental maanden kan deze lege plaats weer ingenomen zijn. Of beeldt de bevooroordeelde Westerling zich dit alweer in…
Op de terugweg even “aankloppen” bij de familie Florville: papa, vrij apatisch slachtoffer van een te dominante moeder, mama, waanzinnig diep weggezakt in een postnatale depressie (de buren zien hierin het resultaat van één of andere voodoobezwering van schoonmama), drie kindjes waarvan de graad van ondervoeding stijgt naarmate hun leeftijd daalt. Het jongste, een baby van een drietal maanden, is er het ergst aan toe. De papa –hij kent niet eens de naam van zijn eigen kind, maar wat maakt het uit- vroeg Jeannine al tot driemaal toe om raad, maar concreet is er na meer dan één week tijd niets veranderd. Jeannine aarzelt geen moment en in TSL krijgt de baby de eerste elementaire zorgen: een pamper –een buurvrouw vertelt terloops dat het kindje al een drietal weken onophoudelijk aan buikloop lijdt-, wat melk met een flinke portie antibiotica. Niets lijkt de baby nog te beroeren, elke vorm van aangeboren zuig- en slikreflex is verdwenen, de oogjes staren dof in een hopeloze verte. Het kleine meisje kreunt en kermt de ganse nacht door. Om te schreien heeft het niet meer voldoende kracht. Een stervend kind is een moeilijk te aanvaarden realiteit; een kind zien lijden maakt opstandig en bitter. Onder de morgen verzwakt het zienderogen. Deshydratatie? Longontsteking? Wie zal het zeggen. Wanhopig sprakeloos brengen we het naar huis. De diagnose is wreedaardig bondig: totale uitputting. De vooruitzichten al even uitzichtloos: “se Bondye ki konnen”. Alleen God weet… raad. De papa beaamt telkens met een absurd geladen “wi”. En we zien hem denken: binnen een tiental maanden kan deze lege plaats weer ingenomen zijn. Of beeldt de bevooroordeelde Westerling zich dit alweer in…
donderdag 5 augustus 2010
La belle Citadel
Nadat Jeannine zondagmorgen was vertrokken met de eerste lichting medereizigers die terug naar België vertrok, bleven we even verweesd achter. Gelukkig stond er ons maandag een cultureel en historisch hoogtepunt te wachten, de Citadel van Henry Christophe, La Ferrière.
Naar goede Haïtiaanse gewoonte vertrekken we lekker vroeg, ditmaal om 5.00 u aangezien ons een korte steile wandeling te wachten staat en men dat liever doet voor dat de zon in haar zenith staat. Wanneer we het domein van TSL verlaten, staat er nog een extra passagier te wachten. Het aangename aan het nuttige koppelen is een na te leven motto, zeker in een land waar armoede nog verre van uitgeroeid is. En zo nemen we een heerschap met gebroken neus, waar hij tussen haakjes al een week mee rondloopt, mee om hem in Milot aan het ziekenhuis af te zetten.
Wanneer dit is gebeurd en we onze tocht vervolgen doemt uit de mist, in de verte, boven op een steile heuvel, een grijze massa op. Op het eerste zicht lijkt het een massieve blok graniet maar wanneer je beter kijkt, neem je enig reliëf waar. Daar ligt ze, de Citadel. Beneden, aan de voet van de heuvels, staat onze gids reeds te wachten. Na het eerste stuk met de auto te hebben afgelegd, stappen we uit, slaan de gebruikelijke verkopers en verkoopsters van ons af en vangen de tocht naar de top aan. Al een chance dat we vroeg genoeg zijn vertrokken want het is al behoorlijk warm en het pad blijkt steiler dan de muur van Geraardsbergen. We laten ons echter niet kennen, als rasechte Flandriens wandelen we de gids los uit het wiel en slaan we zonder verpinken in geen tijd een bres van zeker 100 meter. De bolletjestrui lonkt voor Pieter… Uiteraard moet die erudiete ‘filou’ weer stokken in de wielen steken door net voor de aankomst snel nog een ‘tactische’ uitleg uit zijn mouw te schudden over de berg waarop de Citadel is gebouwd en de legende daarrond. Het tempo is gebroken, geen ontsnappingen meer en mooi in peloton komen we boven aan. Daar komen al snel het water en de boterhammen boven voor een eerste snelle hap, het is tenslotte al 8.00 u.
Forten hebben wel eens de gewoonte om op hoger gelegen plaatsen gebouwd te worden en dat is met de Citadel niet anders, eens bekomen, hebben we dan ook een schitterend zicht op de omgeving. Je kan aan de ene kant de baai van de Cap en aan de andere de kant een prachtig smaragdgroene heuvelrug zien schitteren in de ochtendzon, met daartussen in ‘la grande rivière du Nord’ die richting Cap meandert.
Onze ‘filou’ van daarnet blijkt een rasechte entertainer te zijn en vertelt vol overgave zijn verhaal in een ‘polyglottisch’ dat alleen Wim kan evenaren.
De Citadel dateert van net na de onafhankelijkheid. Om het land veilig te stellen voor de eventuele terugkeer van Fransen of een ander blanke grootmacht met koloniale aspiraties liet de toenmalige machthebber, Dessalines of keizer Jacques I van Haïti, overal forten uit de grond stampen. Het bekendste is La Ferrière, beter bekend als de Citadel van Henry Christophe. Het is hij die toezicht hield op de werken als bevelhebbend generaal van ‘district Nord’. Na de dood van Dessalines, niet bepaald een natuurlijke maar dat gebeurt wel vaker met dictators en dus voortdurend in de loop van de Haïtinaanse geschiedenis, roept Henry Christophe zichzelf uit tot koning van het Noorden.
Aan de voet van de Citadel, zijn hoofdkwartier, laat hij als koning Henry I direct aanvangen met de bouw van een koninklijk paleis. Henry, 22 jaar voordien nog maar een simpele hulpkok in een hotel in Cap Haïtien, die kan lezen noch schrijven, laat zijn eigen Versailles bouwen en noemt het ‘Sans Souci’.Over het leven en dood van Henry vertelt onze gids de ene legende na de andere.
Wat ons vooral doet versteld staan zijn de gigantische proporties van zijn Citadel. Sommige muren zijn bijna 40 meter hoog, de belangrijkste geschutsgalerij is ongeveer 9 meter diep en 80 meter lang.
Met 200 kanonnen, honderdduizenden kanonskogels en 770 meter hoger dan elk ander gebouw in de omgeving is La Ferrière een klein wonder, zeker als je weet dat alles, maar dan ook alles met de hand naar boven is gebracht. Duizenden gevangenen en handarbeiders hebben hier dan ook de dood gevonden tijdens de bouw van dit militair bolwerk en dat alles voor niets. Er is geen enkele kanonsbal afgevuurd vanaf de Citadel tenzij om te communiceren met de goden. Wanneer we de Citadel verlaten, kopen we nog snel een drankje van een vrouw die haar eigen huzarenstukje heeft opgevoerd. Vanaf de voet van de berg is ze helemaal naar boven gestapt met op haar hoofd een overvolle koelbox, om toch maar een klein beetje geld te kunnen verdienen. Het contrast is bikkelhard, dit ‘historisch en cultureel hoogtepunt van de Haïtiaanse geschiedenis’ confronteert ons weer maar eens met de dagelijkse realiteit… Haïti is zo ‘verschrikkelijk mooi’.
Naar goede Haïtiaanse gewoonte vertrekken we lekker vroeg, ditmaal om 5.00 u aangezien ons een korte steile wandeling te wachten staat en men dat liever doet voor dat de zon in haar zenith staat. Wanneer we het domein van TSL verlaten, staat er nog een extra passagier te wachten. Het aangename aan het nuttige koppelen is een na te leven motto, zeker in een land waar armoede nog verre van uitgeroeid is. En zo nemen we een heerschap met gebroken neus, waar hij tussen haakjes al een week mee rondloopt, mee om hem in Milot aan het ziekenhuis af te zetten.
Wanneer dit is gebeurd en we onze tocht vervolgen doemt uit de mist, in de verte, boven op een steile heuvel, een grijze massa op. Op het eerste zicht lijkt het een massieve blok graniet maar wanneer je beter kijkt, neem je enig reliëf waar. Daar ligt ze, de Citadel. Beneden, aan de voet van de heuvels, staat onze gids reeds te wachten. Na het eerste stuk met de auto te hebben afgelegd, stappen we uit, slaan de gebruikelijke verkopers en verkoopsters van ons af en vangen de tocht naar de top aan. Al een chance dat we vroeg genoeg zijn vertrokken want het is al behoorlijk warm en het pad blijkt steiler dan de muur van Geraardsbergen. We laten ons echter niet kennen, als rasechte Flandriens wandelen we de gids los uit het wiel en slaan we zonder verpinken in geen tijd een bres van zeker 100 meter. De bolletjestrui lonkt voor Pieter… Uiteraard moet die erudiete ‘filou’ weer stokken in de wielen steken door net voor de aankomst snel nog een ‘tactische’ uitleg uit zijn mouw te schudden over de berg waarop de Citadel is gebouwd en de legende daarrond. Het tempo is gebroken, geen ontsnappingen meer en mooi in peloton komen we boven aan. Daar komen al snel het water en de boterhammen boven voor een eerste snelle hap, het is tenslotte al 8.00 u.
Forten hebben wel eens de gewoonte om op hoger gelegen plaatsen gebouwd te worden en dat is met de Citadel niet anders, eens bekomen, hebben we dan ook een schitterend zicht op de omgeving. Je kan aan de ene kant de baai van de Cap en aan de andere de kant een prachtig smaragdgroene heuvelrug zien schitteren in de ochtendzon, met daartussen in ‘la grande rivière du Nord’ die richting Cap meandert.
Onze ‘filou’ van daarnet blijkt een rasechte entertainer te zijn en vertelt vol overgave zijn verhaal in een ‘polyglottisch’ dat alleen Wim kan evenaren.
De Citadel dateert van net na de onafhankelijkheid. Om het land veilig te stellen voor de eventuele terugkeer van Fransen of een ander blanke grootmacht met koloniale aspiraties liet de toenmalige machthebber, Dessalines of keizer Jacques I van Haïti, overal forten uit de grond stampen. Het bekendste is La Ferrière, beter bekend als de Citadel van Henry Christophe. Het is hij die toezicht hield op de werken als bevelhebbend generaal van ‘district Nord’. Na de dood van Dessalines, niet bepaald een natuurlijke maar dat gebeurt wel vaker met dictators en dus voortdurend in de loop van de Haïtinaanse geschiedenis, roept Henry Christophe zichzelf uit tot koning van het Noorden.
Aan de voet van de Citadel, zijn hoofdkwartier, laat hij als koning Henry I direct aanvangen met de bouw van een koninklijk paleis. Henry, 22 jaar voordien nog maar een simpele hulpkok in een hotel in Cap Haïtien, die kan lezen noch schrijven, laat zijn eigen Versailles bouwen en noemt het ‘Sans Souci’.Over het leven en dood van Henry vertelt onze gids de ene legende na de andere.
Wat ons vooral doet versteld staan zijn de gigantische proporties van zijn Citadel. Sommige muren zijn bijna 40 meter hoog, de belangrijkste geschutsgalerij is ongeveer 9 meter diep en 80 meter lang.
Met 200 kanonnen, honderdduizenden kanonskogels en 770 meter hoger dan elk ander gebouw in de omgeving is La Ferrière een klein wonder, zeker als je weet dat alles, maar dan ook alles met de hand naar boven is gebracht. Duizenden gevangenen en handarbeiders hebben hier dan ook de dood gevonden tijdens de bouw van dit militair bolwerk en dat alles voor niets. Er is geen enkele kanonsbal afgevuurd vanaf de Citadel tenzij om te communiceren met de goden. Wanneer we de Citadel verlaten, kopen we nog snel een drankje van een vrouw die haar eigen huzarenstukje heeft opgevoerd. Vanaf de voet van de berg is ze helemaal naar boven gestapt met op haar hoofd een overvolle koelbox, om toch maar een klein beetje geld te kunnen verdienen. Het contrast is bikkelhard, dit ‘historisch en cultureel hoogtepunt van de Haïtiaanse geschiedenis’ confronteert ons weer maar eens met de dagelijkse realiteit… Haïti is zo ‘verschrikkelijk mooi’.
zondag 1 augustus 2010
Met de machine naar carwash Marion
Praktische richtlijnen:
1. Men vinde een beschikbare Boss en een met modder bespatte machine.
2. Men rijde binnen in een feëriek decor – hier is een getalenteerd kunstenaar aan het werk geweest- met een kleurrijk palet van weelderig groen en wuivende palmbonen, de vier banden in het nat en gebruike de hogedrukreiniger. (lees: met water gevulde kommen zo dicht en zo hard mogelijk tegen het koetswerk kletsen)
3. Men gebruike verder afgedankte stukken textiel, sponsen, borstels en poeder.
4. Men wrijve van boven naar onder, van links naar rechts, hoe meer handen, hoe lichter het werk. Men trappe vooral heel veel lol.
5. Men late zon en machine over aan een harde concurrentiestrijd: om ter hardst blinken.
6. Klus geklaard. Marion bedient alweer de volgende klant.
Wij, Blan’s staan eerst wat verweesd te kijken. De moderne techniek en het Westers comfort hebben onze verbeeldingskracht op nul gezet. We kunnen nog amper een knop omdraaien.
Nog wat goede raad voor wie met leder aan de voeten naar de carwash gaat. Men neme een schoen in een vrije hand en hinke zo naar de andere kant of men zoeke een barmhartige samaritaan om op zijn sterke rug over te gaan.
P.S. De machine is de auto; Boss is de chauffeur; Marion is de naam van de plaatselijke rivier.
Foto's op de gekende plaats...
1. Men vinde een beschikbare Boss en een met modder bespatte machine.
2. Men rijde binnen in een feëriek decor – hier is een getalenteerd kunstenaar aan het werk geweest- met een kleurrijk palet van weelderig groen en wuivende palmbonen, de vier banden in het nat en gebruike de hogedrukreiniger. (lees: met water gevulde kommen zo dicht en zo hard mogelijk tegen het koetswerk kletsen)
3. Men gebruike verder afgedankte stukken textiel, sponsen, borstels en poeder.
4. Men wrijve van boven naar onder, van links naar rechts, hoe meer handen, hoe lichter het werk. Men trappe vooral heel veel lol.
5. Men late zon en machine over aan een harde concurrentiestrijd: om ter hardst blinken.
6. Klus geklaard. Marion bedient alweer de volgende klant.
Wij, Blan’s staan eerst wat verweesd te kijken. De moderne techniek en het Westers comfort hebben onze verbeeldingskracht op nul gezet. We kunnen nog amper een knop omdraaien.
Nog wat goede raad voor wie met leder aan de voeten naar de carwash gaat. Men neme een schoen in een vrije hand en hinke zo naar de andere kant of men zoeke een barmhartige samaritaan om op zijn sterke rug over te gaan.
P.S. De machine is de auto; Boss is de chauffeur; Marion is de naam van de plaatselijke rivier.
Foto's op de gekende plaats...
nieuwe foto's
De laatste dagen hebben we vooral veel gerust en toeristische uitstappen gemaakt.
Via de link in de linkse kolom kan je nieuwe foto's bewonderen.
Via de link in de linkse kolom kan je nieuwe foto's bewonderen.
Abonneren op:
Posts (Atom)