vrijdag 30 juli 2010

Voodoo

Voodoo lady, you drive me crazy with your boegie-woegie-woegie-woegie,
you drive me crazy with your boegie-woegie …

Helaas, driewerf helaas. Geen knappe voodoo lady, geen heupwiegende boegie-woegie die je in trance brengt en doet wegdromen. Geen ‘love-spells’, geen melk- of fondantchocoladen betoveringen.
Om 5.00 opstaan om op zijn Haïtiaans tegen 7.00 u te vertrekken, zodanig dat het wat frisser is om te rijden want we moeten allemaal in de ‘boite’, de laadbak van de jeep. Jeannine heeft de Nissan nodig om een paar zeer dringende boodschappen te gaan doen in Ouanaminthe. Wij trekken samen met onze Haïtiaanse gidsen en chauffeur naar Plaine du Nord voor het jaarlijkse voodoofestival.

Fris is het geenszins en naarmate we dichter bij het voodoogebeuren in de buurt komen, wordt het steeds maar broeieriger. Stof blijft in een mengeling van zweet en zonnecrème kleven en bezorgt ons een soort camouflage outfit. Met de temperatuur stijgt ook de drukte op de weg en het aantal ondefinieerbare geuren. Aangekomen in het eigenlijke centrum van Plaine du Nord laten we de auto achter bij de plaatselijke dokter. Nog geen 10 meter verder staat al de eerste bocor, voodoopriester, te communiceren met een koe. U leest het goed, een koe. Blijkbaar huizen voodoogeesten soms in koeien. Door gezangen van omstaanders en de nodige rum.Toekijkers, even dronken, vragen de bocor van alles en nog wat en hij speelt de vragen op zijn beurt door aan het gedecoreerde rund, de antwoorden worden op hun beurt ook weer door middel van de bocor kenbaar gemaakt aan de nieuwsgierige ‘gelovigen’. Wat ze zoal vragen hoor ik u denken, wel echt alles, informatie over zieken, de toekomst … Ook geiten blijken een uitverkoren woonplaats van geesten. Na bewezen diensten worden koe- en geitlief op rituele wijze ontdaan van hun bloed en daarna in mootjes gehakt. Michel van Gaia heeft hier nog werk voor de boeg, want er is zo niet één groepje aan het werk maar ettelijke tientallen. Mochten ze hier dan nog kunnen barbecueën, dan hadden ze hier een leuke zomerbraderij, maar opnieuw helaas.
Opzwepende muziek maken en dansen kunnen ze des te beter. Een rara, (voodoo)fanfare, trekt, stomdronken en met allerlei zelf gefabriceerde muziekinstrumenten, door de straten en zorgt voor de nodige ambiance. Achteraan de stoet van muzikanten loopt een in jute en zwarte stof geklede matrone, een voodoopriesteres. Het loopt er hier vol van, dames in fel gekleurde rokken, blouses en sjaaltjes. Die sjaaltjes binden ze ‘Poolse poetsvrouwgewijs’ op hun hoofd. Elke kleur verwijst naar een andere voodoogeest. Zo lonkt rood naar madame Erzulie, geest van de liefde, haat en jaloezie en nog een hele hoop andere vrouwelijke kenmerken. Zij is de tegenhanger van Maria, de moeder Gods.
Juist, wat u nog moet weten over het hele voodoo gebeuren is het volgende. Voodoo als religie is heel nauw verbonden met de christelijke. Voodoo is uiteraard van origine Afrikaans en kent dus een hele hoop andere rituelen dan het christendom maar toch… Er is maar één God, Papadambala, net als in het christendom. Er zijn ook een hele hoop geesten, zoals Madame Erzulie, te vergelijken met onze heiligen. Vanzelfsprekend vonden de kolonialen al die voodoo maar niets en mochten de geïmporteerde negerslaven en hun nazaten hun godsdienst niet vrij belijden. Zoals alles dat werd verboden, moest het dus gecamoufleerd gebeuren. Ze verbonden hun voodoofeesten dus sterk met de christelijke feestdagen.
Ook nu nog hangen voodoofeesten altijd samen met een christelijk heiligenfeest. Ook nu nog lijken heel wat Haïtianen heiliger dan de paus, maar belijden ze in werkelijkheid voodoo.
Voodoo is een essentieel gegeven in het leven van heel veel Haïtianen.

Ondanks het feit dat ex-president Aristide voodoo officieel heeft erkend blijft men vasthouden aan de tradities uit het verleden. Het christelijk feest dat als dekmantel dient voor het voodoofeest van Plaine du Nord is dat van de heilige Jacobus. In het plaatselijke kerkje, gewijd aan deze heilige, worden er dan ook volop kaarsen gebrand voor zijn voodootegenhanger. Een paar echte christelijke uitzonderingen niet te na gesproken.
Buiten gaat alles zijn typisch Haïtiaanse gangetje, overal kraampjes waar zowel eetwaren als voodoorelieken te koop zijn, her en der slachtpartijen van koeien in het midden van de straat en overal wordt er gedanst, gezongen en muziek gemaakt. Af en toe zien we op straat ook een vévé, een met wit zand getekend symbool van deze of gene geest. Ergens in het midden van het hele gebeuren staan er een aantal mensen in het water (lees bruinzwarte smurrie). Volgens onze gids staan deze Haïtianen te wachten op ‘gelovigen’ die zich willen laten onderdompelen in het water van deze open riool. Vol spanning staan ook een aantal internationale fotografen met kanonnen van camera’s te wachten. Waarop ze wachten? Een ‘gelovige’ die na zijn onderdompeling bezeten wordt door één of andere voodoogeest, blijkbaar het summum voor een ‘voodoogelovige’. Ten derde male helaas, we hebben geen zo’n spektakel mogen aanschouwen.
Toch wel onder de indruk van dit alles keren we terug naar Akil Samdi, het dorp dat genoemd is naar Baron Samedi, de voodoogeest die waakt over het dodenrijk.

donderdag 29 juli 2010

Wie zoekt die vindt, wie werkt die wint

Er woonde ergens in een ver land, een klein vrouwtje in een afgelegen dorp. Haar huisje stond vredig te midden van kleine, schamele hutjes en ze deelde kwistig om zich heen al wat ze missen kon. Kommer en kwel, een lach en een traan, het had heel wat slechter gekund… Alleen de weg naar de grote stad – het Ministerie van Wegenbouw had de snelweg kilometers ver omgelegd -, hun zelf getrokken weg, bleef een duivels pad. Het ging over diepe putten en grote plassen, door uit hun oevers getreden rivieren, kortom, een gezellig bezoekje in de stad, een dagje shoppen, een dringend ziekenvervoer, het was telkens weer een heus avontuur waarvan het begin de enige zekerheid was. En de mensen vloeken en ketteren; en het vrouwtje piekeren en tobben.
En ja, ze bedacht een pienter plan dat sterren als Clinton en Ban-Ki-Moon aardig zou doen verbleken en dat een drievoudige Nobelprijs waard was. Haar sponsors uit het verre buitenland lieten zich niet onbetuigd. Aan ’t werk dus: zware stukken lavasteen uit de bergen bijeenrapen en in hoopjes aan weerskanten van de weg verzamelen. Namen oplijsten van liefhebbers voor het harde labeur. Zelfs de directeur van de plaatselijke staatsschool meldde zich aan… De dag van de start van de werken waren ze, niet lang na zonsopgang, in dichte drommen paraat. Ze kregen een kruisje naast hun naam en een plekje in één van de stoere trucks om naar de verschillende werven te schudden en te schokken. Vrouwen, jong en minder jong brachten de stenen ter plaatse, sommigen zelfs met drie tegelijk: één op het hoofd en één op elke hand. Probeert u het zelf ook maar eens, knappe blanke: hoofd rechtop, rug kaarsrecht, armen gebogen, handen naar achter gedraaid. En vergeet hierbij niet de meer dan veertig graden Celsius en de verschroeiende zon. Mannen van alle slag sloegen de stenen stuk met allerlei al dan niet geïmproviseerd materiaal. Trucks pletwalsten de baan effen genoeg om er probleemloos een Olympisch kegeltornooi te organiseren.
Het vrouwtje kwam op inspectie en glimlachte instemmend. Zo groot was haar tevredenheid dat ze op slag loonsverhoging gaf en een groep vrouwen gaven de stenen nog sneller door op de maat van hun eigen meeslepende Creoolse zang en dans. Geen Tantalus-tafereel maar een levende transportband die steen per steen verder wiegde tot aan de truck waar een levende hijskraan ze naar omhoog in de vrachtbak kreunde. Een uitbundig volksspel, zo leek het wel.

De vooruitzichten zijn optimaal. Het einde is in zicht en de bekroning zal drievoudig zijn: hard werk voor een goed loon, genieten van een comfortabele weg naar de stad, samen bouwen aan iets waar gans de gemeenschap beter van wordt (in plaats van alleen maar uit eigen belang woekerhandeltjes op te zetten en voodoopraktijken uit te denken).
Je snapt het al, aandachtige lezer, dit is niet zomaar een sprookje, maar alweer een succesverhaal van Jeannine De Beleyr en haar TSL. Bedankt, medesponsors!

zaterdag 24 en zondag 25 juli

Zaterdag moet een rustig dagje worden na de voodoo-ervaringen van vrijdag. Het lijkt echter alsof er een magische vloek is uitgesproken, want zaterdag worden zowel Vincent als Pieter getroffen door serieuze buikkrampen die vergezeld worden met de nodige bruine saus. Ik citeer Vincent: “Ik pies langs mijn gat, jong!”
Terwijl deze twee lotgenoten een bed opzoeken, wordt er ook nog een beetje gewerkt. Er komt een moeder met dochter op consultatie bij Jeannine, want ook dat is een erg belangrijke taak van TSL. Het meisje is er erg aan toe. De moeder is reeds naar het ziekenhuis geweest, maar daar sturen ze haar gewoon door. Ze zit er bij als een voddenpop en lijkt niets van energie te bezitten. Ze krijgt bijna dagelijks stuipen en Jeannine vermoedt dat het meisje epilepsie heeft. In zo’n geval wordt er dan een behandelingsplan en dossier opgesteld door TSL. Elk dossier komt terecht in de ‘dropbox’. Op die manier kan TSL België elk nieuw initiatief opvolgen.
Het meisje zal wekelijks op controle moeten komen. In samenwerking dan met het dispensarium en indien nodig het verder gelegen hospitaal. Dit is echter allesbehalve evident, want ze moet een heel eind weg afleggen, maar ook daar zorgt TSL voor een oplossing door geld te geven voor een taxi (lees overbemande brommer: 4 tot 5 passagiers). Bovendien wordt er ook een siroop meegegeven die de stuipen zou moeten tegengaan, maar of dit voldoende zal blijken blijft een groot vraagteken. Volgende week weten we weer iets meer.
Onze plannen om naar een protestantse dienst te gaan, hebben we uitgesteld en we besluiten met een paar blan’s nogmaals naar de katholieke kerk te gaan. De twee ventilators die vorige week geschonken werden, blijken nog niet actief te zijn. Bijgevolg is het broeiheet in de kerk. Het zweet druipt van onze ruggen en we krijgen het echt wel moeilijk. Voor Laura wordt het iets te veel en ze moet snel naar buiten. Pieter kan haar nog begeleiden, maar daar valt ze flauw. Onmiddellijk komen enkele Haïtianen ter hulp gesneld. Laura is vlug terug bij bewustzijn en ze wordt opgehaald door Venel die met de Jeep luid claxonerend door het dorpje racet.
Voor we aan de aperitief kunnen beginnen staat er nog een heel plezante activiteit op het programma. De 9 bezoekers hebben voor de drie kinderen een heuse piratentocht in elkaar gestoken. We hebben ons allemaal Johnny Depp-gewijs in een piratenkostuum gehesen. Jetro, Charline en Nelson moeten verschillende opdrachten uitvoeren. Zo moeten ze onder andere een hindernissenparcours afleggen, flessen omgooien met granaten, raketten afschieten… Op het einde wordt op hun kaart de plaats aangeduid waar ze de schat kunnen vinden. De schat bestaat uit drie geschenkjes die we vanuit België hebben meegebracht. De jongens monteren tevreden hun lego-helikopter en lego-jeep in een recordtempo, terwijl Charline glimlachend vlechtjes legt in het haar van één van haar ‘Little Pony’s’. De andere piraten kregen als beloning een heerlijk fruitpunch of rumpunch aangeboden.
In de namiddag volgde er nog een fysieke inspanning. Er stond immers een heuse voetbalwedstrijd op het programma. Op de affiche stond de klepper tussen TSL en één of ander plaatselijk ploegje. Bij TSL stonden er naast de vaste medewerkers, enkele jeugdspelers en ‘superster’ James ook enkele iets wittere spelers op het terrein. Vincent, Wim, Pieter, maar ook Tiny zorgden voor de Belgische inbreng. De hitte was een niet te onderschatten tegenstander. Gelukkig stonden er voldoende waterdragers langs de denkbeeldige zijlijn. Die zijlijn was voor niemand echt duidelijk zodat er ook geregeld supporters op het terrein stonden. Gelukkig waren er twee grensrechters die met een T-shirt zwaaiden als de bal de zijlijn had overschreden. Voor deze wedstrijd was een heleboel volk opgedaagd, maar de staat van het terrein liet oogstrelend combinatievoetbal niet echt toe. Toch was het een erg gelijkopgaande wedstrijd die uiteindelijk op 0-1 eindigde voor de andere ploeg. Achteraf was iedereen echter heel tevreden, want we hadden onze conditie toch wat onderhouden en vielen zeker niet uit de toon.

woensdag 28 juli 2010

Violine naar “Kind en Gezin”

Vandaag krijg je je eerste rapport, meisje. We zijn allemaal heel benieuwd, vooral naar je gewicht. De wachtzaal van het dispensarium zit al behoorlijk vol, zien we, nadat we je thuis met Viola en je mama pick-ups gewijs hebben opgehaald. We zijn amper bij de doc (= verpleger) binnen waar jullie mama nu al jullie naampjes door elkaar haalt, of daar komt Jeannine in de consultatieruimte binnengestormd met… het script van een nieuwe film, waarin jíj dit keer niet de hoofdrol zal spelen. Venel, de voorzichtige chauffeur van dienst, is ondertussen met de pick-up een bevallende jonge vrouw gaan ophalen, die met vereende krachten uit de laadbak wordt gehesen en onder ruime belangstelling naar de onderzoekstafel wordt gedragen. De baby laat al de bovenkant van het hoofdje zien en met de hulp van een zuignap, een stoïcijns kalme doc en een tandenbijtende mama laat een goed uit de kluiten gewassen (4 kg) meisje haar eerste kreetje horen. “Mèsi Bondye”, prevelt de mama met haar laatste krachten. “Mèsi”, beamen de omstaande familieleden. “Oef”, reageren we opgelucht. Na meer dan drie dagen barenspijnen, een helse tocht achteraan op de moto –de regen heeft heel wat putten bijgemaakt in de al niet te comfortabele wegen- een bijna bevalling op de “straatstenen”, mag het wel eens goed aflopen.
Doc verwijst mama en baby door naar de dichtstbijzijnde kliniek, omdat ook in Haïti een postnatale bloeding dodelijk kan zijn. Good luck, dappere vrouw!

En Violine? Die wordt samen met zusje Viola gewogen en goed bevonden. Doe zo voort, kleine meid!

dinsdag 27 juli 2010

Het verhaal van Violine…

Ik word geboren op een zonnige dag in mei, mijn zusje Violane komt tegelijk met mij. De aanhef van een lieflijk sprookje? Maar ’t kan verkeren, zeggen ze. Het leven is een strijd, zeggen ze. De gulzige Violane zuigt mijn bloed- en melkarmoedige mama leeg en ik overleef op water en thee en vooral op wilskracht. Al snel word ik een schriel verschrompeld hoopje ellende. Niet om aan te zien, zeggen ze. Zo kan het niet langer, zeggen ze. Ten einde raad roept mijn mama TSL ter hulp waar een leger bleekhuiden zich bezorgd om mij ontfermt. Ze vechten om me te mogen wassen, kleden, voeden, knuffelen, zoenen, te slapen leggen,… En ik? Ik geniet met volle teugen van al die belangstelling. Mijn rimpelige velletje raakt mooi opgespannen, mijn donzige haardos kroest van de pret. Bij de minste tocht wordt groot alarm geslagen: ik krijg een mutsje op en sokjes aan. Straks beginnen ze ook nog sneeuwballen te gooien, die gekke blanken! Als Jeannine wordt opgeroepen om een mama met een epileptische baby te helpen en de vrouwelijke “assistentes” haar geïnteresseerd volgen, krijg ik, gelove wie wil, spontaan de fles van twee buiklopende sukkelaars van witte mannen terwijl ik alleen maar om wat aandacht heb gevraagd. Ik voel me op slag de gekroonde Miss Akil Samdi. En als het dan toch even niet naar mijn zin is, laat ik dat luidkeels merken. Telkens weer bezwijkt er eentje voor mijn schel gekrijs en probeert me te troosten met grappige smoelen en vreemde geluidjes. Dan breng ik wijsgerig mijn linkerhand naar mijn linkerslaap, als om met mijn grote kijkers uitdagend te vragen: “Wie denken jullie wel dat ik ben?” Want samen met mijn zwarte zusje en broers van TSL heb ik algauw mijn plaats in dat blanke bastion veroverd. Ze zouden me niet temmen, ze zouden mijn pamperinhoud niet negatief evalueren, ze zouden me niet doen glimlachen als het hen zint…, zowaar ik Violine heet. Die eerste veldslag heb ik dus dapper gewonnen!
Maar hoe zacht mijn geïmproviseerde wiegje ook is -een reistas met kartonnen wanden en witte lakentjes- hoe zoet de melk uit de zuigfles ook smaakt, ik weet het, en zij weten het ook, dit is niet mijn echte biotoop, ik hoor elders thuis. En zie, wanneer op een zondag in juli mijn ouders op bezoek komen – de timing kan niet beter, net proper gewassen en gekleed en scheurend van de honger- grijp ik spontaan naar mama’s borst. De omstaanders moedigen me instemmend aan en een fiere papa ziet dat het goed is. Dit is het moment om naar huis te gaan waar zusje op me wacht. Een schare TSL-bewoners wuift me wat beteuterd uit – ja, jullie wisten toch dat ik maar eventjes bleef- en in de blauwe pick-up van TSL onderneem ik in de armen van mama mijn triomftocht door het dorp naar huis. De drukte van de markt, het geschud van de auto, niets kan m’n ogen afwenden van m’n mama, mijn mama, mijn roots, mijn toekomst… Papa gaat eerst met een escorte sympathisanten naar binnen langs de voordeur; ik, met mama door de achterdeur waarlangs iedereen “thuis” komt. En op het rieten matje in onze hut komt al vlug m’n zusje naast me liggen, wat onwennig toch. Ik strek m’n armpje naar dat huilende kloontje uit als om haar te troosten. “Stil maar, zusje. Ik ben terug. Alles komt goed. Ik heb een volledige doos babyoutfit meegekregen: lakens, kleren, melk –voor als ons mama weer eens droog ligt- zalfjes, poeders, pampers, zuigflessen en nog zoveel meer. Het team van TSL komt geregeld langs om te kijken hoe het met ons gaat, de sponsorbron uit België droogt nooit op. Papa zal hard werken en sparen om een huisje te bouwen voor mama en haar twee Viooltjes. Jeannine, m’n babysit van elke nacht, zal eindelijk eens rustig kunnen doorslapen.”
Ziezo, nu vallen de stukjes van m’n eerste moeilijke puzzel netjes in elkaar, met een knipoog naar de lieve Blan’s.

zondag 25 juli 2010

nieuwe foto's

Er staan nieuwe foto's in het Haïti-album.
Via de link in de linkse kolom geraak je in ons album.

vrijdag 23 juli 2010

Ons bezoek aan Port-au-Prince

5 u: opstaan. 5.30 u: auto’s laden. 6 uur: vertrek naar Port-au-Prince. Dat met gemengde gevoelens: enerzijds nieuwsgierig om het eindelijk allemaal te zien; anderzijds onzekerheid. Hoe zal ons klein Westers hartje het verteren? De “dag”-trip is alvast meer dan de moeite waard over de A1, de autostrade (lees: een naar Westerse normen breed bergpad, hobbelig kronkelend, modderig bij regen, stofferig bij droog weer, met hier en daar een stukje amper verlicht asfalt). We spreken de verste hoeken van onze verbeelding aan om hierin de Noord-Zuid-as van het land te herkennen. Het gaat letterlijk door berg en dal, door zeer gevarieerde landschappen met bijhorende flora, door kleine en minder kleine dorpen waar door jong en oud kleurrijk handel wordt gedreven in al het mogelijke en voor ons vooral onmogelijke. De Haïtiaan heeft het duidelijk in de vingers. De uithangborden van de shaletjes spreken boekdelen “si dieu est avec moi qui sera contre moi”, groupons nos efforts, ensemble nous arrivons plus loin of “samen sterk”. Gevleugelde woorden zoals later blijkt. Naarmate we de hoofdstad naderen, worden de wolken donkerder en de beelden wreder. Rechts wijst Jeannine ons op de massagraven aangelegd na de aardbeving: we herinneren ons de televisiebeelden, die niet hebben getoond hoe enkele ruige burgers een laatste keer de lijken verminkten door ze met machetes horloges, ringen, tanden en ander bruikbaars te beroven. Homo homini lupus, heeft de existentialist al eerder begrepen… Aan de andere kant van de weg zien we de eerste tentenkampen: troosteloze blauwe vlekken tegen een al even troosteloze helling. Het zijn slechts voorbodes van de gruwel die ons wacht. Naarmate we de stad naderen, worden de tentenkampen al dan niet beter georganiseerd, groter en dichter bevolkt. Op ieder vrij plekje staan ze opgehoopt tot op de middenberm van de A2 toe, de hoofdweg die de stad doorkruist naar het zuiden: de overtreffende trap van absurde waanzin. Behalve in het riante park voor het universiteitsgebouw voor landbouw… mag de smet van de ellende de wetenschap niet bezoedelen?
Omdat we onderweg laat en uitgebreid hebben geluncht aan de Wahoo Bay Beach – de vis is als het ware vers, recht in ons bord gesprongen - kunnen we ’s avonds uitgeput van de moordende trip vroeg naar bed. Sommigen hebben nog een uur geduld om te wachten op een sandwich, een glaasje rum of een overdosis amaretto, Haïti, een land van extremen…
’s Anderendaags vroeg op (= vijf uur) om vóór de verkeerschaos in een kamp op een industrieterrein de familie Bazar, die Jeannine, met hulp van haar medewerkers in de stad, na de aardbeving herenigd heeft, op te zoeken. Hoe zijn deze mensen terug te vinden in een mierennest van op elkaar gehoopte tentjes? Na zes maanden zijn de allang niet meer waterdichte tentjes opgelapt met van de straat geraapte stukken stof, ijzer, beton en nog veel meer recyclagemateriaal. Ellende lijkt wel een onuitputtelijke bron van vindingrijkheid… Omdat we tot over onze enkels in de modder (en wat nog allemaal?) wegzakken, moeten we onze zoektocht staken. We hebben ondertussen de onfortuinlijke bewoners uit hun tent gelokt, en zie, ze persen zowaar een poging tot glimlach op hun gezicht dat door honger en ontbering onherroepelijk getekend is. Een onbeschrijflijke Apocalyps, haast amper door menselijke zintuigen waar te nemen. Gelukkig is er de camera waarachter we ons nu en dan kunnen verbergen. Zelfs Pontien, de stoere lokale medewerker van Jeannine, kan zijn tranen amper bedwingen, overmeesterd door zoveel onmenselijk leed. En plots duiken, schijnbaar uit het niets, een jonge vrouw en twee meisjes op, keurig gewassen en netjes verzorgd. Hoe krijgen ze het voor elkaar in de viezigheid van de onverlichte tentjes? Het weerzien met de dames Bazar doet deugd: er wordt hartelijk heen en weer gezoend, cadeautjes uitgedeeld, toekomstplannen gemaakt. De uniformpjes vertellen ons dat de meisjes naar school vertrekken en wij rijden verder naar een volgend gezin, tragische slachtoffers getroffen door “la bagay”. Zo noemen de Haïtianen “het” uit vrees, door het te benoemen, een nieuw cataclysme over zich heen te roepen.
We moeten verder de stad in, steeds dichter bij het episch centrum, nog meer tenten, nog meer puin, nog meer half ingestorte huizen. In het leven van sommige Haïtianen lijkt het allemaal een plaats te hebben gekregen: de ene doet onder een ingezakt stuk beton een schijnbaar zorgeloos dutje, de andere gebruikt de schaduw van een gevaarlijk afhellend dak om haar bescheiden handeltje (her)op te zetten. Want het leven gaat verder, of wat had u gedacht?
De familie Orange die op de daadwerkelijke zorgen van Ti Solèy Leve kan blijven rekenen, woont deels in een huis en deels in een tent, qua huisvesting niet eens zo slecht dus. Even voorstellen: papa vermist, mama verlamd, zoon gekwetst op de rug en in het gezicht, dochter onder de rechterknie geamputeerd. Alweer een uitzichtloos bilan. En toch, Jeannine geeft hoop onder de vorm van concrete vooruitzichten zoals prothese en revalidatie. En alweer verschijnt hier en daar een glimlach en wat licht in de van wanhoop en moedeloosheid doffe blikken. Zo aangrijpend en overweldigend allemaal dat we onze van honger knorrende magen negeren. We beseffen het pas als we in het geklasseerde Orloffson hotel een uurtje op een –voor elk wat wils- ontbijt zitten te wachten dat –ondanks alles- heerlijk smaakt. Het leven gaat verder, weet u wel.
Opeens brengt Jeannine het ontstellende nieuws; we moeten ons bezoek een dag inkorten. Er is een nationale vervoersstaking afgekondigd. Een ganse dag opgesloten zitten in een muf hotel zonder internet is geen optie. Dus vijf nieuwe banden voor de pick-up kopen (eentje knalde onderweg), naar het hotel om de bagage, de familie van Pontien even groeten en weg voor een meer dan acht uur durende helse tocht, waarvan de helft in het duister over onverlichte wegen en ondertussen schijnbaar verlaten spookdorpen. Door de regen en de bliksem wanen we ons zowaar figuranten in een heuse avonturenfilm. Jeannine brengt ons tegen half elf ’s avonds veilig thuis; het bijna voltallige ti soley levé-team, honden incluis, wacht ons op met een hartelijke spaghetti. Nog net voor het einde van onze spannende Nationale Feestdag zal de zoete slaap ons een beetje de gruwel doen vergeten. Ongestoord lekker uitslapen zal iedereen deugd doen en donderdagmorgen, al vanaf zeven uur, staat Jeannine voor wie wil een omeletje op smaak te bakken… tot bijna tien uur want iedereen heeft zo zijn invulling voor het begrip uitslapen. Is ze dan werkelijk onvermoeibaar, die kleine, Vlaamse rots in de branding?

Jeugdvoetbal in Akil Samdi

De eerste kennismaking met voetbal viel letterlijk en figuurlijk in het water. Het is hier immers regenseizoen. Normaal gingen alle jeugdspelers aanwezig zijn, maar door de overvloedige regen waren enkel de drie coaches en de twee interne kinderen van TSL, Jetro en Nelson aanwezig. Na een tijdje werkte de spelvreugde aanstekelijk en sloten nog een paar toeschouwers aan.
Het eerste wat onmiddellijk opviel was de staat van het terrein. Nou ja, terrein is veel gezegd; deze geïmproviseerde training vond plaats in de tuin van het centrum. Op de plaats waar we onze voetbalkunsten tentoon konden spreiden, lagen meer keien dan dat er gras groeide. Dit ging uiteraard een beetje ten koste van het spelniveau.
De coaches waren enorm aandachtig en erg enthousiast. Ze deden de oefeningen naar best vermogen. Echte toptalenten kon je de coaches niet noemen, maar ze deden echt wel hun best. Ik was toch al benieuwd om hen bezig te zien met de jeugdspelertjes.
De volgende dag was de afspraak 16u. Om 15.55u kwam Jetro reeds op mijn deur bonken. Ik haastte me naar ‘het voetbalterrein’ om daar meer dan dertig enthousiaste en nieuwsgierige spelertjes aan te treffen. De spelers zaten gedisciplineerd in een cirkel te wachten. Toen ik toekwam en de spelers begroette met ‘Bonjou tout moun’ kreeg ik in koor ‘Bonjou mesye’ te horen en daarbovenop een staande ovatie.
Ik keek mijn ogen uit naar al die zwarte parels en nog meer naar de vestimentaire gewoonten. Hier volgt een korte beschrijving van de modetrends die me opvielen: spelers met ‘crocks’, een rechtsvoetige speler die enkel aan de linkervoet een schoen aanhad, spelers die gewone sokken tot over hun knieën trokken, schoenen waarvan de zool de helft loshing…Fantastisch om te zien waarmee deze nieuwe voetbalsterren op het terrein verschenen. Als je dat vergelijkt met de verwende snobvoetballertjes in België die elk seizoen met een ander paar fluogroene, oranje, roze of paarse schoenen op training verschijnen, kan je alleen maar vaststellen dat de plaats waar je kribbe staat enorm bepalend is.
Ik wou de coaches eens aan het werk zien, dus liet ik ze beginnen met de training. Groot was mijn verbazing toen ik zag waarmee ze de training startten. De spelers gingen met militaire discipline in twee rijen staan en begonnen te marcheren. Daarmee bedoel ik dus echt wel MARCHEREN. Dan volgden er nog een paar oefeningen die bij ons in de jaren 50 als niet echt modern werden bestempeld. Zoals veel zaken hier lijkt de tijd hier soms ettelijke jaren achter te lopen. Ik besloot uiteindelijk om in te grijpen en de opwarming over te nemen. Ik liet de spelers enkele heel eenvoudige oefeningen doen in een andere, meer intensieve organisatie. Ondertussen overlegde ik even met de coaches wat zij van de oefeningen vonden en wat ze in de toekomst misschien best op een andere manier zouden doen.
Daarna liet ik de coaches de training terug overnemen. Mijn mond viel echt open bij het aanschouwen van wat volgde. Voor de 32 spelertjes was welgeteld één voetbal ter beschikking. Op het WK werd er geklaagd over de ‘Jabulani’, maar deze Haïtiaanse bal was van nog iets mindere kwaliteit. Met zo’n bal zou niemand bij ons willen voetballen. Ik had nochtans gezien dat ze genoeg ballen ter beschikking hadden. Ik vroeg dan ook waarom ze maar één bal gebruikten. Het antwoordde dat volgde, was typisch Haïtiaans: “De andere ballen zijn nog niet opgepompt.” Ook de kegeltjes en potjes die ze ter beschikking hadden, bleven in het ‘sportdepot’.
Bij de eigenlijke oefening ging iedereen in een cirkel staan en in het midden nam één trainer plaats, die een paar stretchoefeningen voordeed. Groot was echter mijn verbazing toen ze elke speler één voor één de lenigheidsoefening lieten doen. De andere spelers konden ondertussen door de grond zakken, beginnen zweven of doodvallen, geen van de drie trainers zou het opgemerkt hebben.
De oefeningen met de bal verliepen op min of meer dezelfde manier. Drie trainers die zich telkens met één spelertje tegelijkertijd bezighielden. Ik herhaalde mijn vraag om toch voor meer voetballen te zorgen.
De volgende training verliep helemaal anders. We verhuisden naar het voetbalplein van het dorp. De staat van het terrein was iets beter, maar in België zou zo’n terrein nog steeds afgekeurd worden. Wij waren echter al heel tevreden dat er meer zand dan steen lag. Toen we daar toekwamen, waren er reeds verschillende dorpsploegen aan het trainen, maar we vonden toch een plaatsje waar we onze training konden geven. Voor deze training kreeg ik versterking van een echte Haïtiaanse voetbalster, James. James is de vriend van Carmelle, coördinatrice in het centrum. James zal hier twee weken blijven en dus ook een beetje trainingen geven en de coaches bijscholen. Deze prof binnen de Haïtiaanse voetballiga is omwille van zijn leeftijd op zijn retour, maar je zag wel onmiddellijk dat hij op een bal kon shotten. Hij nam de leiding van de training, maar het overbrengen op de spelers bleek soms iets moeilijker. Hij liet mij dan de oefeningen tonen aan de spelers en eigenlijk liet hij mij snel de hele training leiden.
Hij zorgde wel voor een betere organisatie. Zo waren er nu toch meer opgepompte ballen en was er ook meer materiaal beschikbaar. Er werden voor de opwarming nu fietsbanden, stokken en kegels gebruikt. De motoriek van de spelers, die bij sommigen serieus onderontwikkeld is, werd geoefend aan de hand van een parcours met fietsbanden, liggende stokken (soort ladder), rechtstaande stokken… Al bij al was dit toch een training die “echt” begon te lijken, uiteraard wel rekening houdend met de omstandigheden en mogelijkheden. Ik ontdekte dat er beslist enkele talenten in de groep te zitten, maar een nieuwe Messi, Kaka of Eto’o vrees ik nog niet gezien te hebben.
De trainingen zijn werkelijk een openbaring gebleken. Je moet heel flexibel en creatief zijn om in deze niet-alledaagse omstandigheden een behoorlijke training te geven. Ondanks dit is de doelstelling van het educatief centrum boeiend ingevuld: nl. deze enthousiaste en gemotiveerde jonge gasten van de straat te houden door hen een zinvol tijdverdrijf aan te bieden.

Zondag 18 juli

Daar waar de meesten onder ons hun zondagen in de grote vakantie doorbrengen met uitslapen, brunchen en de bbq voor ’s avonds plannen, is zondag in Haïti nog steeds ‘de dag des heren’. Om 8.00 u. begint hier de dienst in de kerk van de katholieken, die in het midden van het dorp staat en dat zal je geweten hebben. Op weekdagen staat de bevolking hier om
5. 00 u. op om aan de dagtaak te beginnen. Op zondag staan ze hier om 5.00u op om hun haar te doen, schoenen te poetsen, gespen op te blinken,… Wanneer we om iets na 8 uur naar de kerk vertrekken, loopt de zandweg ernaartoe vol met heren in witte hemden met gesteven boorden, geklede broeken en kostuumschoenen met glimmende tippen. De vrouwen en meisjes dragen hun ‘communiekleedjes’ en hebben kokette schoentjes met hak en sokjes aan. Bij het naderen van het kerkgebouw, komen de tonen van één of ander Haïtiaans lied ons al tegemoet. We zijn niet de enigen die niet stipt om 8.00 u aanwezig zijn, maar ja, Haïti is dan ook een stukje Afrika in Latijns-Amerika en tijd is een relatief begrip. We nemen plaats op één van de banken achteraan om niet teveel op te vallen, hoewel dit waarschijnlijk een maat voor niets is, zeven blanken in een kerk vol zwarten. Vol? Echt afgeladen vol zit de kerk hier blijkbaar ook niet meer. Gisteren zat bij de adventisten de ‘kerk’ wel nokvol, maar het gebouwtje waarin zij hun vieringen houden, kan dan ook 10 keer in het gebouw dat de katholieken hier hebben neergepoot. De viering is een constante afwisseling van Bijbelse teksten en liederen in het Creools. Tijdens de preek doet de père wel de moeite om ons aan te spreken in het Frans. Het evangelie heeft dan ook betrekking op het loslaten van materiële waarden en het zich open stellen voor het woord van de Heer. Een mens vraagt zich af hoe mensen die dagelijks bezig zijn met overleven toch zo beaat kunnen zitten luisteren naar een boodschap over delen. Voor de rest verloopt een viering hier niet veel anders dan bij ons … 50 jaar geleden. De hostie wordt hier nog aangenomen met de mond en aan het einde van de dienst mag je nog een halfuur blijven zitten voor alle parochiale mededelingen. Wanneer we 2 uur later de kerk verlaten om terug te keren naar onze verblijfplaats, horen we de protestanten nog vol overgave klappen en zingen.

Zondag is ook een economische hoogdag, want het is ook marktdag in Akil Samdi. Marktkramers, veelal vrouwen, proberen alles aan de man te brengen wat maar mogelijk is. Alles is herverpakt naar kleine, betaalbare hoeveelheden; knoflook kan je hier kopen per teen.
Een marktkraampje is niet meer dan een open gespreid doek met daarop alle waren. De vrouwen ernaast, gezellig keuvelend met elkaar. Al ‘bonjouend’ vervolgen we onze weg.
Terug aangekomen bij Jeannine wordt er gepolst naar onze opgedane ervaring bij een aperitief, helaas geen rum-souer wegens gebrek aan citroenen, maar wel overheerlijk rumpunch. Met krakkertjes en dipsaus. Recepten zijn te verkrijgen bij Joke.

De rest van de dag brengen we door met het uitpakken van alle meegebrachte materiaal voor TSL, we lezen en luisteren. We krijgen ook bezoek van Sébastien en Lenize. Lenize komt om haar bh’tje en blijft spelen met Charline, na fier haar nieuwe aanwinst te hebben geshowd als een volleerd mannequin. Jetro en Nelson vragen of Sébastien, hun halfbroertje, mag komen spelen. Dit mag, op voorwaarde dat er echt wordt gespeeld, want Sébastien is na een verprutst schooljaar in de gemeenteschool alles weer vergeten wat hij voordien in het kleuterschooltje van TSL had aangeleerd gekregen. Door hem te laten spelen met Jetro en Nelson hoopt Jeannine dat er in de lege blik, die een absentie van enige hersenactiviteit lijkt te verraden, weer een opflakkering van denkwerk verschijnt. IJdele hoop, Sébastien blijkt niet meer te ‘spelen’ dan de doorsnee zak patatten. Zonde want volgens Jeannine is Sébastien best intelligent. Er zal dus moeten worden bijgewerkt!!!

Naast de activiteit die het bezoek met zich meebrengt, wagen enkelen zich toch in de zondagse middagzon om de jeep te wassen, maar de chronische middagregen steekt hier na een uur een stokje voor en zoals elke dag begint het klokslag 15.00 u. te regenen, we zitten nog steeds in het regenseizoen.
Morgen zullen we onze tocht naar Port-au-Prince, de haven voor het Franse schip ‘Prince’ dat in 1706 deze baai in het Zuidwesten van Haïti binnenliep, voorbereiden en nogmaals een bezoek brengen aan het dorp van de zombies, Akil Samdi.

Zaterdag 17 juli

Vandaag gaan we na het ontbijt het dorp in om een bezoek te brengen aan een aantal mensen die ondersteuning krijgen van TSL. Naast het tewerkstellen van een 6-tal tuinmannen, een 5-tal coaches (leerkrachten) voor het schooltje, 2 chauffeurs, 1assistente, 2 kokkinnen, 1 huishoudster, 1 huisbewaarder, 2 nachtwachten, 3 sportcoaches en 1 verpleegster/manusje-van-alles,… in totaal een 32 loontrekkenden, voorziet TSL ook in het onderhoud van een aantal zieke, gehandicapte baby’s, kinderen, volwassenen en ouderlingen in hun omgeving. Ook vanuit andere dorpen dan Akil vindt men de weg naar Jeannine en haar grote hart. We hebben het hier dan nog niet gehad over de noodhulp die TSL heeft geboden aan de slachtoffers van de aardbeving. Er zijn een 260-tal dossiers die acute hulp verlenen aan ongeveer 2000 mensen. In de nasleep van de aardbeving heeft TSL ook een project op poten gezet waarvan de hele communiteit voordeel heeft. Akil werd overspoeld met slachtoffers van de aardbeving die een onderkomen zochten bij familieleden met een huis, ook al was dat dan niet meer dan een lemen hutje in de ‘bush’. Sommige slachtoffers kwamen terecht bij nonkels en tantes, broers en zussen, vaders en moeders die het vaak nog slechter hadden dan zij. Om de goede vrede te bewaren in een land waar onder het dunne laagje van vreedzaamheid een onderstroom aan jaloersheid schuilgaat, moest er dus een oplossing worden gevonden. Die bood zich aan onder de vorm van het aanleggen van betere wegen naar Akil. De inwijkelingen van de aardbeving en hun lokale familieleden werden hierbij ingeschakeld, zo konden degenen die noodhulp hadden ontvangen iets terugdoen voor hun onfortuinlijkere verwanten in Akil. Bij de aanleg van die wegen werden nog eens 1500 mensen ingeschreven op de ‘pay-roll’ van TSL.
Nu de meeste slachtoffers van de aardbeving zijn teruggekeerd naar hun plaats van herkomst, blijft het communautaire project een bron van inkomsten voor heel wat’ lokalen’. Soms verkiezen ze het zware werk van stenen versleuren en verbrijzelen boven het werk in ‘konbit’ ( het gaan helpen op elkaars akkers in ruil voor eten en drinken en wederkerige hulp) aangezien het voorziet in een echt loon waarmee schulden kunnen worden afbetaald, schoolgeld wordt betaald,…

Ti Solèy Leve probeert werk te maken van 3 millenniumdoelstellingen; promotie van het onderwijs, ondersteuning van de gezondheidszorg en bescherming van de natuur. Op een manier die enig verengd machiavellisme niet vreemd is, slaagt het daar ook in. Soms heiligt het doel wel degelijk de middelen en dat is ook de kracht van TSL; de vrijheid van handelen in een land dat anders zo verlamd wordt door bureaucratie en onderhandse diensten. Daar waar ook de grote NGO’s een hele bureaucratische mallemolen moeten afwerken en al veel geld hebben verspild aan vergaderingen en werkgroepen die moeten samenkomen voor ze een cent kunnen besteden aan slachtofferhulp, kan TSL snel, accuraat en op maat van de mensen hulp aanbieden. Daags na de aardbeving, toen de internationale noodhulp nog volop op gang moest komen, hadden TSL en nog een aantal andere lokale projecten van scheutisten en andere religieuze ordes al heel wat mensen geholpen. In het concrete geval van Ti Soley Leve ging het over het ‘uitdelen’ van gourdes en dollars, uiteraard mits het opstellen van een contract tussen de betrokken partijen. Mensen die heel hun hebben en houden hadden verloren, konden zo snel weer aan hun leven beginnen door het zoeken naar vermiste familieleden, een handeltje te beginnen of een stukje grond te kopen en te bewerken,…

Als er één ding is dat in Haïti zowel een zegen als een last is, is het wel het feit dat alles hier in het teken staat van het leven. Zo is de ongeschreven regel dat men niet langer dan nodig mag focussen op de dood.
De wake bij de dode is hier een feest om de geest van de overledene te verhinderen terug te komen en is het ‘not done’ om na de begrafenis nog te huilen om een overleden familielid. (Dit zorgt ervoor dat begrafenissen hier druk bezocht worden door alles en iedereen zodat men op legale manier toch uitdrukking kan geven aan eventueel onverwerkt verdriet over een eigen dode.) Enerzijds hervatten de mensen hier na onheil quasi onmiddellijk hun gewone leven, ook al zijn ze bijna hun hele familie verloren. Anderzijds zorgt dit er ook voor dat men absoluut niets leert uit eventuele fouten. Voorbeeld: de ongecontroleerde wildbouw in Port-au-Prince is één van de belangrijkste redenen dat er zoveel slachtoffers zijn gevallen, vandaag is diezelfde wildgroei al opnieuw aan de gang. Vandaag wordt ‘rücksichtslos’ gewerkt aan de ‘Apocalyps’ van morgen.

Even terug naar onze bezoeken van vandaag. De mensen die ons ‘blan’s zonder veel problemen in hun huizen ontvangen en ongegeneerd foto’s laten nemen (we voelen ons er soms zelfs wat ongemakkelijk bij) zijn 1.de moeder van een meisje met een type 3 afwijking - zowel fysiek als mentaal zwaar gehandicapt- 2. de mama, papa en ‘sterkere’ tweelingzus van de premature Violine én 3. een oude blinde man die het slachtoffer is geworden van een verwaarloosde oogaandoening. Voor het gehandicapte kindje wordt een speciaal stoeltje besteld. De mama en papa van de tweeling worden vriendelijk uitgenodigd om een ‘contractje’ te komen opstellen om het gezin te ondersteunen en terloops krijgt ook een nicht een contractje aangeboden voor de studies van haar vijf kinderen omwille van haar hulp bij de geboorte van de tweeling. De blinde man krijgt een envelopje toegestopt. Overal waar we aan huis gaan, verschijnen er buren en kinderen, de bezichtigers worden bezichtigd. Onderweg van en naar deze ‘dutsen’ wordt er kwistig ‘gebonjoud’ en ‘ge-yon ti koze-d’ (een kletske doen) om eventuele na-ijver te voorkomen. Één van de kinderen die wordt aangesproken is Lenize, een 17-jarig mongooltje dat nog in het schooltje van Jeannine heeft gezeten. Jeannine zegt haar dat ze de volgende dag maar eens moet langskomen voor een ‘soutienke’ voor kleine borstjes. Een ander kindje wordt gevraagd naar de schoolresultaten. Wat opvalt, is dat vooral vrouwen en kinderen worden aangesproken, waarschijnlijk niet zomaar want zij vormen ook in deze samenleving de meest kwetsbare groep. Net als haar bijna naamgenote en Indische tegenhanger, Jeanne De Vos, heeft Jeannine De Beleyr vooral, maar niet uitsluitend, oog voor de zwakken in de maatschappij. TSL is door de jaren veel meer geworden dan een ‘educatief project in Haïti’, het is een servicecenter zonder weerga.

Na de middagmaaltijd start traditioneel de ‘siësta’ die wordt doorgebracht met slapen, lezen, zwemmen, praten,… en die uitloopt in een rustige avond en nacht.

dinsdag 20 juli 2010

Vraagje

Wij vertrekken naar Port-au-Prince.
Zijn er geen roddels in België?????? (je mag steeds een reactie plaatsen)
Wij zullen zo snel mogelijk opnieuw verslagjes posten...
Vele groetjes van allen

maandag 19 juli 2010

wasdag en uitstap naar zee

15 juli

Donderdag is wasdag in TSL. Om 8u kwamen dames van het dorp onze was ophalen. Met drie goed gevulde teilen, zeep, wasverzachter en indigo trekken ze naar de rivier. We konden met z’n allen meegaan en tegelijkertijd genieten van een frisse duik, dit na een wandeling van een klein half uur. Terwijl Tiny de dames deskundig assisteerde, lieten de anderen zich meevoeren met de sterke stroming. Het terugkeren tegen de stroming in bleek iets moeilijker te zijn en leverde dus grappige taferelen op.

Omdat Jeannine die ochtend naar Cap-Haïtien moest om de nieuwe chauffeur op te pikken, konden wij de namiddag gebruiken om verslagen te maken en onze indrukken neer te schrijven.

Om 15u stonden er 32 jongetjes uit het dorp te wachten om de voetbaltraining te volgen van de Belgische professional (alias Pieter).

’s Avonds zijn we naar de dodenwake geweest van de broer van John en Anouze (medewerkers in het TSL centrum ). Dit was een speciale ervaring, er waren een honderdtal dorpelingen die op een zingende wijze afscheid namen van de overledene in (en rond) het ouderlijk huis. Verschillende mensen waren aan het babbelen met elkaar, of spelletjes aan het spelen. Buiten stonden zelfs een aantal kraampjes met drank en versnapering. De mensen gaan hier anders met de dood om dan bij ons, we voelden ons een beetje ongemakkelijk bij dit sterke cultuurverschil. Toch bleek het voor de aanwezigen een enorme steun te zijn dat er medewerkers van TSL waren.

Morgen zal het vroeg dag zijn, want Carmelle verjaart en we gaan dat vieren aan zee.

16 juli

Vandaag verjaart Carmelle, zij is de Haïtiaanse eerste assistente van Jeannine. Om dit te vieren hadden we de galerij versiert met vlagjes en ballonnen, op de luchthaven hadden we ook een gepast geschenk gekocht. Om 5u30 al verrasten we Carmelle met een Haitiaanse versie van Happy Birthday muzikaal begeleid door Tiny met de klarinet.

Om 6u30 vertrokken we met 17 personen in 2 auto’s naar de provinciehoofdstad van het noorden, Cap-Haïtien. Na een uur op een hobbelig parcours door verschillende dorpjes, kwamen we op de geasfalteerde, internationale hoofdbaan. Dit bracht ons vrij snel in grotere dorpen waar de armoede nog meer zichtbaar werd. Vooral het vele afval dat overal rondslingerde en de bijhorende geur gaf het grootste contrast met de vorige plattelandsdorpjes. We kwamen ogen te kort en de uitleg van Jeannine ondersteunde de beelden. Het meest confronterende was onze aankomst in Cap-Haïtien, een chaotische stad waar mensen krioelen als mieren. Cap-Haïtien is de tweede grootste stad van Haïti en volgens Jeannine nog maar een peulschil in vergelijking met Port-au-Prince, waardoor we toch met lichte schik uitkijken naar de uitstap volgende week. Op de ‘boulevard’ aan de haven stopten we aan een echte Franse bakker om lekkere boterkoeken te eten. Terwijl we daar aan het water even moesten wachten, spraken lokale inwoners ons aan; smeekbedes om een beetje geld te krijgen, vreemde conversaties die eerder wartaal leken en uitspraken om indruk te maken op ons. Als we ons omdraaiden en even wilden genieten van het zicht op zee, zagen we het afval dobberen en ook oude schepen lagen te roesten. Onze rit werd verder gezet en we reden de stad uit, bergop. Het contrast was frappant, welke toerist zou vermoeden dat er aan de andere kant van de berg, het idyllische strand schril zou afsteken tegen de verpauperde, vuile stad. We genoten van de prachtige natuur aan de ene kant van de berg, maar konden de beelden van de andere kant moeilijk uit ons hoofd zetten.
Na een echte zeemaaltijd met vis en kreeft, namen we nog een korte siësta om ons terug voor te bereiden op de rit naar huis. Jeannine moest nog een aantal kleine inkopen doen en we haalden de bestelde taart af bij de bakker. (Hoe zal die mooie, doch kitscherige taart het hobbelige parcours overleven?) Rond half drie begonnen we aan onze terugweg. Opnieuw was er van in slaap dommelen geen sprake, omdat er te veel te zien was. Ook in de ‘bwat’ (de laadbak van de jeep) zaten een aantal personen, zij moesten zich op een bepaald moment met het blauwe plastieken zeil beschermen tegen een zomerse regenval, wat voor heel wat hilariteit zorgde. Rond zes uur kwamen we toch licht dooreen geschud aan in Akil Samdi. Na een broodmaaltijd mét taart (die er vreemd genoeg ongeschonden uitzag), zochten we al gauw onze bed op. Schaapjes tellen was deze keer niet nodig …


Lieve groetjes van ons allemaal!

zaterdag 17 juli 2010

Dag 2

De eerste nacht op Haïtiaanse bodem is zeer goed verlopen: niemand raakte verstrikt in zijn muskietennet (al leek Wim het daar toch even moeilijk mee te hebben), er zaten geen spinnen onder het bed en de warmte en duisternis waren even beklemmend, maar het wende gauw.
Het dagelijkse leven in Akil Samdi start om vijf uur ’s morgens en wees gerust: daar maken de buren je attent op.
Wanneer je tegen half zeven opstaat, heb je het gevoel dat je al een deel van de dag gemist hebt – ’t lijkt dus een beetje op uitslapen bij ons. De meesten van ons zaten zodoende ook om zeven uur aan het ontbijt, dat trouwens zeer uitgebreid en verzorgd is en vooral veel vers fruit bevat. Toen kregen we ook te horen van Jeannine dat de vrouw van de coach bevallen was van een meisje, maar dat diezelfde nacht ook de coach zijn broer gestorven was. Heeft een stervende plaats gemaakt voor een nieuw leven? Leven en dood kunnen zo mysterieus zijn…
Na het ontbijt kregen we een rondleiding op het domein van Jeannine. We hoorden het hele ontstaansverhaal van het centrum en waren verwonderd dat die paar dorre percelen in vijf jaar tijd waren uitgegroeid tot een groene oase met een doordacht grondplan. We zagen de tuiniers aan de slag en leerden heel wat bij over tropische boomsoorten, alternatieve wijzen van gras maaien, aanleggen van kanaaltjes, irrigeren van plantages, …
(Van de dertig boompjes die Toon en Dries twee jaar geleden geplant hebben, bleven er nog vijf over. Ze hebben een goede groeischeut gehad en lijken sterke bomen te worden.)
Hoewel de rondleiding maar een klein uurtje geduurd heeft, stond het zweet op onze ruggen en voelden we ons reeds erg moe. Het middageten en de siësta waren dus erg welkom. Alsof ons parelend zweet de weergoden had geïnspireerd, begon het te regenen. Ideaal weer om de meegebrachte kinderkleren op te vouwen en het allerkleinste te selecteren voor de kleine Violine, die er trouwens goed op vooruit gaat.
De deugddoende verkoeling bleef enkele uren aanhouden en leek de geplande voetbaltraining in de war te sturen. Toch kon dit het enthousiasme van de coaches en kinderen niet drukken en ging de eerste voetbaltraining onder leiding van Pieter door in de regen. De supporters konden een plaatsje zoeken onder de watertoren, waardoor zij droog bleven en des te beter konden toejuichen.
Het avondmaal (mét heerlijke worstjes), een drankje en een kaartspelletje met de kinderen achteraf waren goede afsluiters en het bed lonkte alweer! Onder een onvoorstelbaar mooie sterrenhemel zochten we met onze ‘petzels’ op ons hoofd ons bedje op.
Aan het toilet miste Pieters schoen op een haar na een grote kakkerlak. Gelukkig zocht het beest zijn weg naar buiten.
Nog even
- een klein gilletje slaken wanneer Vincent en Joke een (ongevaarlijke, maar toch grote) spin terugvonden in hun kamer,
- een mislukte poging ondernemen met een schoen (spin was te snel en kroop onder het bed),
- aan alle kanten, met een klein hartje (wat zijn we toch seuten!), het muskietennet goed instoppen … om dan zo toch in slaap te vallen … dromend van wat morgen zal volgen …

Groeten
Ons allen

donderdag 15 juli 2010

Eerste verslag

Bonjou!

Maandag zijn we goed aangekomen in de Dominicaanse Republiek. Na het genieten van een lekkere maaltijd kropen we in ons bedje. In slaap vallen vroeg geen moeite, want we waren op dat moment al 24 uur wakker.
Na een verfrissende duik dinsdagmorgen, vertrokken we met een taxibusje richting de grens met Haïti.
In het busje is een volledige Samson & Gert-medley gepasseerd, dat doodde de tijd en verzachtte het hobbelige parcours.
Aan de grens aangekomen, zagen we onmiddellijk het grote verschil van de Dominicaanse Republiek met Haïti. We kwamen ogen tekort. Na het in orde brengen van de douaneformaliteiten, moesten de mannen nodig een sanitaire stop maken. Aangezien er geen voorzieningen waren en de geur ons deed vermoeden dat dit in openlucht mocht gebeuren, namen ze plaats achter het grenshuisje. Een Franse ordehandhaver gebruikte deze aangelegenheid om zijn gezag te laten gelden. (Knappe mannen van de UN, want die kunnen wellicht uuuurenlang hun plas ophouden: nota van Jeannine!)
Omdat Boss Reynold nog niet ter plaatste was, zochten we verkoeling in de schaduw. Vandaar uit konden we het komen en gaan van mensen te voet of op de moto over de dorre plek (parking?) observeren en voor ons leek er een grimmige sfeer te heersen. Misschien was dat ook wel omdat we ons een beetje de attractie van het moment voelden.
Toen we eindelijk in de nieuwe Jeep konden stappen die ons naar Akil Samdi ging voeren, waren we toch lichtjes opgelucht.
Het traject was de eerste kilometers verrassend goed. Een brede, geasfalteerde weg met de nodige verkeersborden! Iets wat we niet in de Dominicaanse Republiek hadden gezien. Een kleine afslag, een zanderige, hobbelige wegel bracht ons naar Akil Samdi. De prachtige natuur en het gebergte in de verte beloofde veel.
Daar maakten we kennis met de bewoners van het centrum die ons zeer vriendelijke begroetten. We kregen een korte rondleiding door het hoofdgebouw en daarna konden we ons installeren in onze kamers. De muskietennetten werden opgehangen en de regels van het huis werden uitgelegd. De kleine Violine stal onmiddellijk alle aandacht en kan nu al rekenen op meerdere verzorgsters en voedsters. (M/V: nota van Jeannine)
De duik in het zwembad deed ongelooflijk veel deugd en we maakten kennis met de zwembadspelletjes van Jetro en Charline.
Tiny, Junel, Katrijn en Laura reden nog (even snel – 20 min heen en 20 min terug) om ijs in Opèch, een dorpje verderop. Toen ze terug kwamen rond half 7, was de schemering al ingezet en konden we aanschuiven aan tafel voor een broodmaaltijd.
Na het eten was het volledig donker, maar de temperatuur daarentegen was nog niet veel gezakt. Onder een prachtige sterrenhemel dronken we een laatste pintje of rum en kregen we te horen dat Jeannine nog een nachtelijk bezoek ging brengen aan de vrouw van de hoofdcoach die op punt stond te bevallen. Hierna zochten we ons bed op en vielen onze ogen snel dicht.

Groetjes van ons allemaal

vrijdag 9 juli 2010

Voorbereiding op het grote vertrek

Bonjou tout moun yo!

We zijn een dagje terug van de broeihete Cévennes. Die eerste reis van de vakantie is alleszins zeer goed meegevallen. Uiteraard is dit toeristische uitstapje in het niets te vergelijken met onze volgende onderneming.
Na gisteren een dagje op ons positieven te komen, zijn we nu toch volop aan de voorbereiding begonnen voor onze reis naar Haïti. De valiezen zijn leeggemaakt, de was wordt gedaan en ondertussen ook al een beetje gestreken. Aangezien ik tijd heb om dit bericht te typen, begrijpen jullie dat het voornamelijk Tiny is die de strijk doet.
De eerste benodigdheden zijn wel reeds in één van onze koffers gestoken. Zo zitten er reeds een basketbalring, verschillende voetballen, geschenkjes allerhande, bekers, medailles...in onze koffer.

We kijken er alleszins naar uit om te vertrekken! We beginnen een beetje gezonde spanning te voelen en kunnen niet wachten tot we op de vlieger kunnen stappen richting Puerto Plata.
Zodra we gearriveerd zijn, zullen we proberen om regelmatig iets op onze blog te posten, maar naar het schijnt doet het internet wel een beetje ambetant.

Tot binnenkort!
Pieter & Tiny

dinsdag 6 juli 2010

Aftellen

Terwijl wij nog volop aftellen om maandag te vertrekken zijn onze medereizigers reeds toegekomen in Haïti.
Nog 6 nachtjes slapen in België...

vrijdag 2 juli 2010

Creoolse les

Bonjou!

Kelvin (medereiziger, die al een paar keer naar Jeanine geweest is) heeft ons al een beetje ingeleid in het Creools...
Dit zorgde voor hilarische uitspraken.
Op het vliegtuig gaat de remediëringsles door...

Kenbe 'n